Commerciële scholen en de kleine, mythologische superclubs

Als instructeur ben ik mijn hele leven actief in de martial arts en geef ik al vanaf mijn 17e jaar les. In zo’n lange tijd heb je natuurlijk al redelijk wat stellingen de revue zien passeren. Eén daarvan, die mijn inziens doordrongen is van hardnekkige misvattingen, is de mythe over commerciële en kleinschalig aangepakte sportscholen. Wanneer dit onderwerp ter sprake komt vliegen de vooroordelen je om de oren. Deze vooroordelen komen doorgaans het meest vanuit de hoek van leerlingen en leraren die voor de kleinschalig aanpak gaan. Ik besloot daarop mijn eerstvolgende blog hier aan te wijden.

Maar om een goed beeld van mijn visie te creëren en mythes en vooroordelen te ontkrachtigen, dien ik wel even terug te gaan in de geschiedenis. Want waarom zweert de ene leraar en zijn leerlingen bij en kleinschalige aanpak, terwijl de andere liever voor een grootsere aanpak kiest? Volgens de vooroordelen zijn de redenen overduidelijk; martial arts leraren die voor de grote aanpak gaan hebben alleen maar dollartekens in hun ogen en geen integer, persoonlijk oog voor de leerlingen. Leerlingen zijn slechts ‘klanten’ en worden als een nummertje behandeld. Daarentegen is er bij de kleinschalige aanpak nog echt oog voor de individuele aandacht, de authentieke meester-leerling relatie. Om maar niet te spreken over het conserveren van de authentieke stijl die van meester op leerling wordt overgedragen… al eeuwen lang. Dat zou niet samengaan met commercie.

Over onderdrukking, volksdansen en beheersing

Wanneer we naar de geschiedenis kijken dan zien we dat de martial arts beoefening in veel landen strikt verboden was voor burgers. De allerbekendste voorbeelden daarvan zijn wel capoeira (Brazilië) en pencak silat (Nederlands-Indië / Indonesië). In beiden gevallen was er sprake van slavernij en onderdrukking en de kolonisten elimineerde daarbij vanzelfsprekend ieder risico op een gewelddadig verzet. De reden waarom beiden stijlen ‘verhuld’ werden in een dansvorm. Hetzelfde gold echter ook voor het Thaise muay boran dat in de Khon-dans werd verhuld en het Chinese kung fu dat in de opera werd verstopt. Voor karate gold precies hetzelfde. De kata (loopvormen) dienden als ‘onzichtbare tekstboeken’ die bij een onverwachte inval direct konden worden “dichtgeklapt”. Met andere woorden: De beoefenaars konden in een split second de handeling voortzetten in de traditionele lokale volksdans. Erg vernuftig en ook strikt noodzakelijk dus want de straffen waren niet mild. Sommige geschiedenisboeken spreken over zware lijfstraffen met de dood tot gevolg!

Ondanks dat we inmiddels in een heel andere tijd leven, hebben veel van de inmiddels oude meesters zelf nog les gehad van mensen die die verschrikkelijk angstige koloniale tijd hebben meegemaakt. Het is als vanzelfsprekend dus dat de repatriantengolf uit Indonesië hoofdzakelijk pencak silat leraren met zich meebracht die het pencak silat spel (zoals zij het vaak noemen) enkel en alleen bij hun thuis in de woonkamer, in de tuin, de kelder of op zolder wilden ‘spelen’. Daarbij werden alleen familieleden en heel soms een enkele goede vriend toegelaten. Wie het boek van Mark Bischop over Okinawaans karate gelezen heeft weet dat veel Okinawaanse meesters, die jarenlang ’s nachts in het geheim in de bossen hadden getraind, er na de dekolonisatie er niet aan moesten denken om een school te openen. Het idee dat zij dan ‘iedereen’ moesten toelaten en lesgeven deed hen huiveren. En terecht…. want als we logisch nadenken was daar een gegronde reden voor.

Geen enkel risico was geoorloofd

Ten tijden waarin men – niet zelden met het hele gezin – de doodstraf riskeerde voor het beoefenen van en lesgeven in de martial arts, ontstond er vanzelfsprekend veel angst. De kata en jurus (loopvormen) werden dan ook niet alleen gebruikt als ‘onzichtbaar tekstboek’ maar ook om het geduld van de beoefenaars op de proef te stellen. Want ondanks dat men de de vechtkunst hoofdzakelijk en exclusief onderwees aan directe familie en goede vrienden, wist iedere meester dat dat geen garantie was dat zij niet ontdekt konden worden. Ieder schip brengt ratten met zich mee en iedere fruitmand bevat wel een of meerdere rotte appels. De jarenlange, eentonige beoefening van kata en jurus, waarbij (nog) geen inhoudelijke uitleg werd gegeven, scheidde als een soort van geduldtrainer het kaft van het koren. Naast de noodzakelijke opbouw van muscle memory, zorgde deze aanpak er namelijk voor dat de ongeduldige onder de leerlingen afhaakten. Een prachtig voorbeeld daarvan zien we in The Karate Kid (1984) waarin Daniël LaRusso het bijltje er bij neergooit nadat hij dagenlang alleen maar rotklusjes heeft moeten opknappen voor Mr. Miyagi. Waarom zo’n omslachtige aanpak?

Er zijn verhalen bekend van Okinawanen die door de Japanse bezetters levend werden gekookt in olie.

Personen met een ongeduldig karakter hebben doorgaans eerder de neiging gepikeerd te raken en hun zelfbeheersing te verliezen. Een vechtpartij zou er in resulteren dat getuigen de vaardigheden zouden herkennen en er over zouden gaan praten. Dit bracht het risico met zich mee dat dit bij de autoriteiten ter oren zou komen. Daarentegen zou een martial arts leraar een risico nemen wanneer hij tegen een van zijn familieleden, of vrienden van deze familieleden, zou zeggen dat hij niet welkom zou zijn bij de training in verband met zijn onstuimige, ongeduldige karakter. Het risico zou dan ontstaan dat zo iemand uit ergernis kwaad zou gaan spreken over de meester wat eveneens weer bij de autoriteiten ter oren zou kunnen komen. Om deze eenvoudige redenen was kleinschaligheid een strikte noodzaak. Het overleven van de meester, zijn gezin en zijn familie, hing er letterlijk van af.

Martial arts beoefening in de 21e eeuw

Inmiddels leven we in de 21e eeuw en zijn vechtsportscholen en -verenigingen in vrijwel iedere stad en dorp te vinden. De doodstraf is in Nederland al sinds 1870 niet meer in gebruik, al hebben de Indo’s in Nederlands-Indië natuurlijk nog anders meegemaakt. Indonesië heeft de doodstraf ook na het vertrek van de Nederlanders in 1949 nooit afgeschaft. Toch waren het vooral de Indo’s die in de jaren ’60 voor het eerst langzaam maar zeker besefte dat er best wel ruimte was om in de openbaarheid te treden met hun kunsten. Sommige van hen verdienden een arbeidersloon en zagen in dat zij er misschien wel een extra aanvullend bedrag per maand bij konden verdienen voor hun gezinnen. En zo werden de eerste grasveldjes in parken bezet en gemeentelijke gymzaaltjes gehuurd. Enkele van deze pioniers hebben zelfs complete ketens door Nederland op weten te zetten. Zij zaaiden als allereerste pioniers als het ware de zaden van de vruchten die wij vandaag de dag mogen plukken. Maar omdat de meeste zich doorgaans nog vaak afzijdig hielden van samenwerking met andere stijlen en scholen, was er voor veel leerlingen nog maar weinig vergelijkingsmateriaal. En zo werd iedere leraar binnen zijn eigen kringen een levende legende en werd gezien als ‘de allerbeste topmeester van de bovenste plank’. Maar hier geldt natuurlijk slechts het Nederlandse gezegde: “In het land der blinden is eenoog koning”.

De opkomst van grote commerciële sportscholen

Met de groei van de populariteit van de martial arts, mede door de eerste speelfims op dit gebied, werden de groepen steeds groter en begonnen sommige leraren het steeds professioneler aan te pakken. Zij huurde of kochten een vaste lokatie en maakten er zelfs hun beroep van. In de jaren ’70 betekende dit voor de meeste van hen nog geen vetpot maar daar kwam in de jaren ’80 verandering in. De eerste gigantisch grote sportscholen met vele honderden leden begonnen aan hun opmars. De leraren verdienden soms goud geld met hun bestaan en door de kennis en ontwikkelingen op dit vlak is het aantal grote succesvolle vechtsportscholen sindsdien alleen maar toegenomen. Een eenvoudig staaltje marktwerking.

Aversie vanuit de hoek van de kleinere clubs

Met de komst van dergelijke grootmachten op het toneel ontstond er tegelijkertijd veel aversie bij andere leraren. Wie binnen de pencak silat wereld een bekende is weet dat er onder de oude Indische garde altijd al veel afkeurende blikken en woorden in elkaars richting zijn geuit. Er werd veel negatief gesproken over elkaars aanpak en een ieder wist en weet het beter. Kleine scholen zouden, zoals eerder vermeld, meer aandacht voor het individu hebben en voor het conserveren van de traditionele authentieke stijl die men uit Nederlands-Indië, ofwel het huidige Indonesië, had meegenomen. Veel kennis diende strikt geheim te blijven en dus werden veel zaken langdurig in mysterie gehuld. Wie dergelijke ‘geheimen’ openbaarde hoorde er niet meer bij en werd als een paria behandeld. Bij sommige “mysterieuze” clubjes heerst die cultuur vandaag de dag nog steeds.

De 21e eeuw en de effecten van internet

Wat echter niemand van de oude meesters ooit had kunnen voorzien was de komst van het wereldwijde web, ofwel internet. Alle kleine, afzonderlijke en afgesloten martial arts cellen kwamen door de enorme publiekelijke kennisdeling plotseling onder een vergrootglas te liggen. Het was een ware exposure! Als een stoeptegel die je optilt en ziet hoe de insecten eronder een snelle vluchtroute nemen, zo wisten sommige martial arts leraren niet meer welke kant zij op moesten rennen. Had die leraar in Japan bij die ene legende getraind? Hier stond toch echt wat anders! Was die leraar de authentieke vertegenwoordiger van die ene pencak silat stijl? In Indonesië beweerden ze toch echt wat anders. Was die ene stijl authentiek en aan het keizerlijk paleis verbonden? Hier stond toch echt wat anders… Niets zou meer zijn zoals het was. Internet had de wereld voorgoed veranderd en niemand kon zich nog langer schuilen achter geheimzinnigheid en grote ontraceerbare verhalen.

“Leraren die hun leerlingen vertellen over ‘geheime technieken’ zijn als ouders die hun kinderen een geel blaadje geven en zeggen dat het een goudstuk is”.

– Bruce Lee –
(1941-1973)

Zijn commerciële scholen echt zo slecht?

Na een leven lang in de martial arts te vertoeven durf ik zéér stellig het tegenovergestelde te beweren. Ik heb jarenlang aan beide kanten van de stelling “commercieel of niet-commercieel lesgeven gestaan en kan daardoor een zeer objectieve en eerlijke mening geven over mijn eigen persoonlijke ervaringen. Ook ik geloofde er om allerlei nostalgische redenen jarenlang in dat men de martial arts nooit op een commerciële manier zou mogen onderwijzen. Ik verwierp het idee van een grootschalige aanpak en gaf zelfs lange tijd les aan kleine clubjes bij mij op zolder en in de garage. The Old School Way. En wat bracht het me? Jarenlange ergernis en emotionele ellende. Want daar waar ik naast mijn full time baan de hele week in mijn hoofd concepten ontwikkelde om mijn beste leerlingen het beste van mijzelf te kunnen onderwijzen, bleken er op de avond van de les zeer regelmatig maar een paar van hen aanwezig te zijn. De ene keer was het de ene leerling, een andere keer een andere. Ook haakte van deze leerlingen regelmatig iemand af door andere verplichtingen zoals werkzaamheden, een verhuizing, een gezinsuitbreiding enzovoorts. Nu hoor ik iedereen denken: “Ja maar dat hou je toch altijd?” Dat klopt! Maar met de regelmatige afwezigheid van 5 leerlingen bij een “elite” clubje van 10, slaat de irritatie snel toe. Mijn motivatie sloeg dan ook regelmatig om en ik kan me de ontelbare keren niet meer herinneren dat ik er voorgoed mee wilde stoppen. Ik raakte herhaaldelijk gedemotiveerd en voelde me vaak niet serieus genomen terwijl men ook over mij sprak als ‘een geweldig meester’. Maar wat had ik daar aan? Ik had er een broertje dood aan! Ik verdiende er nagenoeg niets mee en legde er mijn hele ziel en zaligheid in, maar dat was niet het ergste want ik was immers niet commercieel, toch? Fout! Want wanneer er ook maar één gulden of euro werd of wordt verdient, dan spreekt men officieel van commercieel lesgeven! Een zeer ontnuchterende terugblik laat het volgende zien:

Een nieuw licht brengt een nieuwe visie met zich mee

In december 2006 kreeg ik de sleutel van het pand waarin ik mijn lang gekoesterde droom zou realiseren. Ik zou een grote commerciële school gaan openen. Erg spannend allemaal en natuurlijk niet geheel zonder financiële risico’s. We leven alweer in het jaar 2020 en denk nog regelmatig terug aan de talloze keren dat ik zowel leraren als leerlingen de commerciële scholen hoorde vervloeken. Vandaag de dag voel ik een oprecht medelijden met een ieder die nog steeds zulke onwerkelijke denkbeelden koestert. Want daar waar het 140 jaar geleden een bittere noodzaak was, is die denkwijze voor deze tijd te ernstig gedateerd om nog geloofwaardig over te kunnen komen. Je schuilt je niet langer achter een masker van geheimhouding in een tijdperk waarin het internet en social media floreert. Je vervloekt niemand langer door hem ‘commercieel’ te noemen terwijl je er zelf eveneens een vergoeding voor vraagt. Want dat een ander succesvoller is in het vergaren van een grotere hoeveelheid bijdragen, maakt immers dat je overkomt als iemand die jaloers is op andermans succes! Want wat is er mis mee om als je dan toch iets doet, het ook zo goed mogelijk te doen? Wat is er mis met veel geld verdienen zolang dit op een eerlijke manier geschiedt? Helemaal niets!

“Geld is niet de as van het kwaad. Armoede is de as van het kwaad. Een gebrek aan geld zorgt voor verslaving, geweld en ongeluk. Wanneer heb je voor het laatst gehoord dat iemand een bank overviel in een Rolls Royce?”

– Dan Lok –

Ook kijk ik naar ’s werelds beste topvechters en toptrainers ongeacht van welke martial arts stijl ze afkomstig zijn: Alle wereldtoppers blijken afkomstig te zijn uit grote commerciële vechtsportscholen en niet één uit een gymzaaltje. Talent trekt talent aan en kweekt talent. Talent genereert inkomsten en inkomsten genereren opties om de kwaliteiten binnen een school drastisch te verbeteren. Men kan hierdoor investeren in toptrainers, cursussen, seminars, diplomering van het personeel, betere trainingscondities en dus aan een betere opbouw en behoudt van het cliënteel bestand. De grotere scholen beschikken vaak over vele honderden leden. Wanneer er iedere avond een stuk of 6, of misschien zelfs wel 10 of 15 leerlingen niet op komen dagen, dan merkt de leraar daar niet zo heel veel van. Hij neemt het waar maar blijft intrinsiek gemotiveerd door de 15 of 20 leerlingen die wel aanwezig zijn. Zijn voorbereidingen zijn nooit voor niets geweest. In grote scholen is er ook vrijwel nooit een tekort aan deskundige assistenten die er op toezien dat nieuwkomers ruimschoots voldoende persoonlijke aandacht krijgen, zelfs wanneer er een aantal van hen niet komt opdagen. Bij een klein clubje komt echter al bij een absentie van 2 assistenten alles op de schouders van de leraar terecht. Sinds ik een grote school run hoef ik nooit meer moeizaam te sjouwen met volle tassen vol wapens en attributen, om vervolgens bij aankomst in de gymzaal te moeten constateren dat er door een voetbalwedstrijd maar 3 leerlingen staan. Alle wapens en attributen hangen en staan nu op een vaste plek en zelfs bij een WK voetbal is de dojo (zaal) nog steeds goed gevuld. Met de stijging van het aantal leden, en dus inkomsten, steeg mijn drang tot creativiteit en verruiming van het aanbod en verbetering van de trainingsomstandigheden en de kwaliteit van de lessen. Sinds de verruiming van het aanbod weet ik honderden mensen ‘op de door hen verkozen manier’ kennis te laten maken met de prachtige wereld van de zelfverdediging. Ik kan ouders een kop koffie aanbieden en door een raam laten meekijken zonder hen, zoals voorheen, weg te hoeven jagen aan de zijlijn. Die transparantie en gastvrijheid hoort bij deze tijd. Ouders hebben immers het volste recht om te weten wat ik of een van mijn instructeurs hun kinderen aanleer, alleen kan dit tegenwoordig zonder hen de les te laten verstoren.

Door de komst van internet zijn we ook gaan inzien dat er niet zo heel bar veel meer van al die ‘geheime technieken’ is overgebleven want op Youtube is alles immers in duizendvoud terug te vinden. Het is dan ook te gemakkelijk om jezelf af te zonderen met een select clubje “volgelingen” door je in een gymzaal te verstoppen en je een onverslaanbare legendarische meester te laten noemen.

Deze “legendarische tai chi meester” zou over geheime krachten beschikken en onverslaanbaar zijn. Hij nam de proef op de som. Een gevecht met een wedstrijdvechter leverde hem drie knock outs op in slechts 30 seconden. De realiteit is vaak keihard voor leraren en leerlingen die verkiezen om in een fabelachtige, sectarische luchtbel te trainen.

Er is heel wat meer lef voor nodig om in de openbaarheid te treden en jezelf en je kennis open te stellen voor het grote publiek, wetende dat er ook professionals binnen kunnen stappen die je weleens zouden kunnen bekritiseren of zelfs toetsen. Ik heb menig geheimzinnig clubje in een verstopte gymzaal horen beweren dat zij de heilige graal hadden gevonden en waarbij hun leraar als The God of War werd gezien. Ze zeikten zonder knikken of blozen de talloze grote kampioenen af maar waren tegelijkertijd niet bereid om zich met hen te meten. Hun excuus? ‘Zij leerden nog echt keihard te doden in plaats van sportvechten’. Wat mij betreft een gegronde reden om – los van wat de Nederlandse wetgeving daar van denkt – gewoon beter je mond dicht te houden. Talk is cheap. En nu ik het toch over dit type zelfbenoemde, ongecertificeerde “killer-elite” zonder enige oorlogservaring heb:

Een prachtverhaal van wereldtopper Bas Rutten:

UFC wereldkampioen Bas Rutten gaf ooit een seminar waarbij zo’n “geheimzinnig clubje” betweters kwam kijken. Bij iedere techniek die hij voordeed hoorde hij geroezemoes bij de leden die elkaar wat in het oor fluisterde. Hij bemerkte dat het niets positiefs was dus wachtte hij het volgende gefluister af.

UFC wereldkampioen Bas Rutten

Toen dat gebeurde zij hij: “Mag ik vragen wat u tegen uw leraar zei?” De dame zei: “Ik zei dat wij je bij die techniek allang onze vingers in je ogen zouden hebben gestoken”. De oersterke Bas nodigde de dame uit naar voren te komen. Hij legde de nekklem bij haar aan en zei: “Dat gaan we op de proef stellen. Ik tel tot drie en dan knijp ik jou bewusteloos. Jij mag bij de derde tel mijn ogen uitsteken. Komt ‘ie. Eén, twee….” plotseling klopte de dame in paniek af. Hij sloot af met de woorden: “Hadden jullie nu echt serieus de illusie dat ik dat niet aan zou zien komen? En hebben jullie echt de illusie dat een sportvechter, die normaal gesproken volgens de regels vecht, niet zonder die regels zou kunnen vechten?”.

Mijn intrinsieke motivatie om les te geven is sinds 2016 explosief en onvermoeibaar gegroeid en ik mix er gretig op los wanneer het aankomt op de vele verschillende “stijlen” die wij aanbieden. Want wie denkt dat MMA (Mixed Martial Arts) iets van deze tijd is heeft het mis: Van oudsher, sinds het begin der tijden, hebben krijgers alle kennis tot zich genomen om zich te kunnen verdedigen, wars van alle “authentieke”stijlen, kleuren banden en ander soort onnozele afleidingen. Het enige dat telde was overleven op de meest efficiënte manier

“Ik geloof niet in verschillende manieren van vechten. Tenzij er ook mensen met drie armen en drie benen bestaan zullen we verschillende stijlen nodig hebben, maar we hebben er allemaal maar twee van elk, dus hebben we maar één vechtstijl nodig”.

– Bruce Lee –
(1941-1972)

Niemand is immers gebaat bij technieken die in een museum thuishoren. Onze voorouders kunnen we niet meer beschermen, maar wel onze gezinnen in de hedendaagse maatschappij. En dat is precies wat ik vandaag de dag doe: Ik leef van mijn allergrootste hobby en werk ook nog eens volgens het oude budoprincipe, namelijk door met minimale inspanning een maximaal resultaat te behalen. En raad eens wat? Ik heb nog nooit zo’n goed leven gehad als nu. Letterlijk en figuurlijk! Mijn integriteit richting de leerlingen bezorgt mij al lang niet meer een gevoel van eenrichtingsverkeer. Het nieuwe tweerichtingsverkeer maakt mij als leraar een gelukkiger en gezelliger mens om mee rond te hangen dan voorheen.

Tot slot

Naast de hier boven genoemde visie besef ik uiteraard dat er ook honderden vechtsportsclubs zijn die fantastisch werk leveren in gymzaaltjes, op pleinen, in tuinen en op zolders. Dit schrijven slaat vanzelfsprekend niet op deze mensen (keep up the good work guys! Wie weet ligt er ook voor jullie ooit nog een prachtige eigen school in het verschiet). Het mag duidelijk zijn op welk type leraren en leerlingen ik hierboven mijn pijlen richt en wat mijn doelstelling is: Namelijk het ontkrachten van al die waardeloze, hardnekkige en onware aantijgingen richting de grotere commerciële sportscholen. En dat alles in het kader van incompetentie en zelfverheerlijking. Want zoals mijn oud-leraar Louis Pardoel altijd al bespottend zei: “Een ieder kan heilig worden verklaard in zijn eigen geloof”.

Patrick Baas
Kyoshi, 7e dan.

Share Button