HET MEESTERSCHAP. Een titel of een levenslang proces van werk-in-uitvoering?

Enkele jaren geleden schreef ik het boek “Kempo Karate. De weg naar meesterschap”. Ik schreef deze uitgave in de hoop de westerse budowereld meer inhoudelijke inzichten te geven in de ware budoleer en de lezer in te laten zien dat het hier niet louter om sportbeoefening gaat. Het boek werd goed ontvangen en de grootste eer kwam mij wellicht toe van niemand minder dat Sifu Jim Bax, één van de drie grootste pioniers van het Nederlandse kempo. Hij liet voor mij een recensie achter op de website van Bol.com waar ik stilletjes in mijn hart een diepe buiging voor maakte. Toch blijft het moeilijk om het ware meesterschap te formuleren… en daarom tracht ik, na mijn recentelijke blog over dan-graden, hier een omschrijving van te geven volgens mijn visie.

In mijn blog over dan-graden liet ik al het immense verschil zien tussen de westerse en oosterse denkwijze in de richting van graduaties. Wanneer we kijken naar titels zoals ‘meester’ en ‘grootmeester’ dan zien we op dit vlak eveneens gelijkwaardige maar negatievere ontwikkelingen plaatsvinden. In dit geval is het nog vele malen schrijnender en verraderlijker dan in het geval van een dan-graad. Door onwaardig rond te lopen met een valselijk of iets te gemakkelijk verkregen dan-graad, houdt de drager vooral zichzelf voor de gek. Dat is zijn eigen probleem. Echter is er in het geval van een titel zoals meester of grootmeester ook sprake van dat goedgelovige volgelingen er het slachtoffer van kunnen en zullen worden. Onwaardige meesters verstrekken op hun beurt weer onwaardige dan-graden en dus is de cirkel van het neerwaartse spiraal voor een hele generatie van sportbeoefenaars een feit. 

Om het een en ander toe te lichten dien ik eerst duidelijkheid te scheppen in de hiërarchische indeling van graduaties en titels. Dergelijke titels, ofwel shogo (称号), zijn in de budo-leer al eeuwenlang bekend aangezien het militaire kunsten betreft. Echter kende men in vroegere tijden geen gekleurde bandensysteem. Het was Kano Jigoro (1860-1936), de grondlegger van het Judo, die in 1898 de eerste twee dan-graduaties ter wereld aan twee van zijn leerlingen verstrekte. De zwarte band stamt af van het zwarte koord dat in Japan bij het schoolzwemmen om de middelen werd gebonden van leerlingen die al goed konden zwemmen.

Indien je de onderstaande hiërarchische indeling niet interessant vindt kun je deze gerust overslaan en doorgaan naar het volgende kopje.

De hedendaagse hiërarchie van dan-graden en (ere)titels

Voor lange tijd werd er in de meeste Japanse budostijlen verondersteld dat een leraar, ofwel sensei, minimaal de 6e dan-graad moest behalen alvorens hij tot meester, ofwel shihan, kon worden benoemd. Dat is inmiddels op veel scholen bijgesteld naar de 5e dan-graad. Ook de rood-wit geblokte band, die eerder pas bij het behalen van de 7e of 6e dan werd verstrekt, wordt tegenwoordig steeds vaker gegeven bij de 5e dan-graad. Deze rood-wit geblokte band, die het meesterschap symboliseert, begon al snel een van de ultieme statussymbolen te vormen voor veel dan-gradenjagers. Dat terwijl men op Okinawa deze band nog steeds pas officieel mag dragen vanaf de 7e dan-graad. 

In Korea wordt men echter standaard tot meester, ofwel Sabum, benoemd bij het behalen van de 4e-dan-graad. De haat en nijd tussen Japan en Korea, die vanuit een lange onderlinge oorlogsgeschiedenis ontstond, speelt op sportpolitiek-niveau tot op de dag van vandaag een latente  rol. In Japan kan men pas tot grootmeester, ofwel Hanshi, worden benoemd wanneer men minimaal over de 9e dan-graad beschikt. In Korea is de grootmeestertitel, ofwel Sahyun, vanzelfsprekend bij het behalen van de 8e dan-graad. In Japan draagt men vanaf de 9e dan-graad een rode band die het hoge grootmeester-niveau aangeeft. De Koreaanse meesters geven hun leerlingen een rode band daar waar de Japanners een bruine band hanteren. Een duidelijke statement waarin de spot wordt gedreven met de voormalige Japanse overheersers. Die statement zegt zoiets als: “Onze lagere band leerlingen staan gelijk aan jullie grootmeesters”. Maakt dit de Koreaanse meesters en grootmeesters een stelletje eikels? Welnee. Vlak na de Tweede Wereldoorlog hebben zelfs de meest vriendelijke en vergevingsgezinde Nederlanders wellicht ook volop de spot gedreven met de voormalige Duitse overheersers. Dat is mens eigen en dus dient daar niet te zwaar aan worden getild.

Wat opvalt wanneer we naar bijvoorbeeld de karatecommune kijken, is dat men in het westen elkaar automatisch Shihan begint te noemen wanneer een persoon de 5e of 6e dan-graad heeft behaald. Dat terwijl deze twee zaken geheel los staan van elkaar. Shihan is een titel die men van oudsher officieel toebedeeld dient te krijgen. Toen ik in 2010 Okinawa bezocht vertelde Hanshi Tetsuhiro Hokama, één van Okinawa’s meest gerenommeerde karategrootmeesters, mij dat Shihan te vergelijken is met het Engelse Sir ofwel de riddering van een nobel persoon. In Okinawa worden speciaal voor deze titel officiële certificaten verstrekt. In het Japanse Bujinkan budo-taijutsu, beter bekend als Ninjutsu, wordt een persoon als Shihan beschouwd zodra mensen hem zo beginnen te noemen.
Persoonlijk ben ik hier niet zo’n fan van omdat hier het gevaar op de loer ligt dat leerlingen al snel hun eigen sensei met Shihan aan beginnen te spreken. Er is in dat geval geen sprake van een onpartijdige, objectieve beoordeling en dus kan men al snel van bevoordeling spreken, niet zelden baatzuchtig en in de hoop om zelf vroeg of laat ook gezien en geëerd te worden.
Daarnaast noemen velen zich automatisch Kyoshi (professor in de martial arts) bij het behalen van de 7e dan-graad, maar ook hier geldt: Dit is absoluut geen vanzelfsprekendheid! Kyoshi betreft een eretitel die je door middel van een officieel certificaat behoort te verkrijgen van een gerenommeerde grootmeester. Binnen het Japanse shogo-systeem zijn de drie bekendste titels Renshi (gepolijste leraar), Kyoshi (professor in de krijgskunsten) en Hanshi (voorbeeldmeester ofwel grootmeester). Het woord ‘professor’ (Kyoshi) mag overigens niet worden verward met de professor-benoeming in het Braziliaanse Jiujitsu, aangezien professor in het Spaans, Portugees en Frans slechts het inheemse woord voor leraar/docent is en dus vergelijkbaar is met het Japanse woord sensei.

Rangen en titels in het feodale tijdperk

In feodale tijden waren het vooral de naamloze krijgers die de krijgskunsten tot een hoog niveau brachten, terwijl de adel met hun fraaie titels en grote ego’s vanuit een hoge berg op een veilige afstand de strijd gade sloegen. De krijgers wisten dat de oorlog hen niet groot maakten. Alleen de adel (eveneens een zelfverzonnen rangenstelsel) was ijdel en arrogant genoeg om anderen voor hun eigen glorie, macht, status en financiële belangen massaal de dood in te jagen en duizenden gezinnen vaderloos achter te laten. De krijgers die levend terugkeerden kregen zo nu en dan een lintje, maar dat maakte het verdriet in hun getraumatiseerde harten vanzelfsprekend niet goed. Het was de manier van de adel om een kleurrijk pleistertje op een gapende wond te plakken. Ook werden er rangverhogingen verstrekt. Denk daarbij aan titels als generaal, kapitein enzovoorts. De meeste krijgers ontwikkelden na het beleven van het oorlogsgeweld en het verdriet dat zij noodgedwongen teweeg brachten, vaak een oprechte vorm van nederigheid. Door de dood van zo dichtbij in de ogen te hebben gekeken leerden zij inzien hoe waardevol het leven werkelijk is. Velen van hen gingen de rest van hun leven gebukt onder Post Traumatische Stress Stoornissen waar zij vaak hun gezinnen ongewild in meesleurden. Menig Nederlander kent nog wel een opa of een oom die als stille getuige de slagvelden van de Tweede Wereldoorlog overleefd had.

Wat maakt nu iemand werkelijk een meester of een grootmeester?

Ikzelf mocht de rood-witte band 14 jaar geleden na mijn examen in ontvangst nemen maar heb hem waarschijnlijk nog geen drie keer gedragen. In die periode werd ik namelijk herhaaldelijk geconfronteerd met statusjagers binnen het bestuur van een vechtsportbond waar ik met mijn school bij aangesloten was. Allen hielpen elkaar binnen één bestuursvergadering, door middel van onderling stemmen, schaamteloos aan een hogere dangraad, daar waar anderen zich jarenlang rot trainden voor hun examen. Ook de rood-wit-geblokte band en de Shihan-benoemingen mochten daar natuurlijk niet bij ontbreken. Gelukkig was ik bij deze vergadering niet aanwezig maar ik ben daarna wel direct met mijn school opgestapt. Echter niet voordat ik tijdens de algemene ledenvergadering en public de reden van mijn plotselinge vertrek aankondigde en mijn schaamte voor de organisatie en haar werkwijze aan alle aanwezige scholen ten gehore had gebracht.

Op de vraag wat nu precies iemand een meester of een grootmeester maakt zal een ieder zijn of haar eigen mening hebben. Echter ben ik er van overtuigd dat een meester, en zeker een grootmeester,  iemand is die op zijn minst niet tegen zichzelf en zijn leerlingen liegt. Iemand die zichzelf in de spiegel aan kan kijken en weet wat hij bereikt heeft en dat dit op een eerlijke, oprechte en zuivere manier geschiedde. Hiermee doel ik op de bron (de verstrekker van het certificaat) die minstens zo eerlijk en zuiver aan zijn graduaties en titels moet zijn gekomen. Een waar meester is iemand die voldoende kennis van de hiervoor beschreven martial arts geschiedenis heeft om te beseffen dat de ware essentie van de krijgskunsten nooit in dergelijk onnozel geneuzel als dan-graden en titels gezocht dient te worden. 

Een fraai voorbeeld hiervan is mijn collega Frans Stroeven die onlangs besloot om op formele en keurige wijze zijn officiële grootmeestercertificaat terug te zenden naar de Filipijnse Doce Pares eskrima-organisatie. Velen denken nu waarschijnlijk: “Dus Frans is nu geen grootmeester meer? Dat is ook niet echt slim van hem!” Maar in mijn ogen oversteeg hij hiermee zelfs zijn titel door de slavenkettingen (lees: invloedrijke en financiële machtspositie van derden) van zich af te schudden. Deze actie van Frans heeft een diepe impact op mij gehad. Ik was hier in de positieve zin behoorlijk van onder de indruk en in mijn gedachten maakte ik een buiging toen ik de brief via whatsapp voorbij zag komen. Daar is nog eens lef en zelfvertrouwen voor nodig. Want daar waar sommige martial artists altijd en eeuwig opkijken tegen alles wast maar oosters is, heb ik helaas ook diverse malen mee mogen maken dat die zogenaamde meesters en grootmeesters uit het verre oosten soms geen haar beter zijn dan hun westerse partners-in-crime!

Het smeden/vormen van het meesterschap is als het smeden van een katana (samoeraizwaard). Bij het smeden van een zwaard heeft men staal en koolstof nodig. Een zwaard het staal, hoe hard het ook mag ogen, is zwak. Een zwaard van koolstof onmogelijk. Uitgebalanceerd samengevoegd verkrijgt men echter het ultieme zwaard. Bij het smeden, ofwel vormen, van een mens is dit niet anders en dus is de theoretische zijde minstens zo belangrijk als de praktische zijde: Iemand van de praktijk zonder theorie of filosofie is zwak, iemand van alleen theorie is onmogelijk. Het is de kracht van de uitgebalanceerde combinatie (yin-yang) door beiden tot een geheel te smeden waardoor er een onlosmakelijke eenheid ontstaat tussen de wereld van denken en daadwerkelijk doen, ofwel worden en zijn. Een waar meester smeed zijn eigen karakter, wijsheid en vaardigheden secuur, voortdurend en zorgvuldig als dat van een katana.

Wijsheid komt met de jaren?

Meestal wordt verondersteld dat personen mentaal rijpen naar mate zij ouder worden. Dit is dan ook de reden waarom men minimaal het aantal jaren moet wachten tussen iedere dan-graad. Bij de 2e dan dus twee jaren, bij de 3e dan drie jaren enzovoorts. Echter gaat de vlieger van het gezegde “wijsheid komt met de jaren” helaas niet altijd op. Dit is dan ook de reden waarom we soms een 10 jarig kind zien dat cum laude afstudeert aan een universiteit en een hoogbejaarde 90+er die nog steeds in volle overtuiging het erfgoed van nazi-Duitsland vereert. Om die reden hoeven de wachttijden voor een hogere dan-graad dan ook zeker niet als heilig te worden beschouwd. K1 kampioen Sem Schilt ontving van karate-pionier Jon Bluming een 9e dan-graad, terwijl hij pas 44 jaar oud was. Echter is Sem Schilt, naast viervoudig wereldkampioen, mijn inzien, ook een echt voorbeeld van levende budo.

De 2.12 meter lange Sem Schilt en ik tijdens een seminar

Sem is oprecht nederig en gedraagt zich vol eerbied en respect in de richting van zijn medemensen. Vooral hoe hij zijn leraar behandelde maakte een ouderwets goede indruk op mij. Toen ik hem sprak vertelde hij mij oprecht dat hij vond dat deze toebedeelde eer voor hem veel te veel was en dat hij zo’n hoge graad helemaal niet waardig was. Ik vertelde hem dat het inderdaad erg ongebruikelijk is voor een 44 jarige maar dat wanneer iemand hem op die leeftijd zou verdienen, hij de meest aangewezen persoon zou zijn die ik ken. Toen ikzelf als 43 jarige mijn 7e dan in ontvangst nam, voelde ik mij eveneens oprecht bezwaard en achtte ik deze eer ook veel te groot voor mij. Ik was de enige die totaal niet blij leek te zijn waarop mijn vrouw antwoorde: “Als je hem niet van Hanshi Tetsuhiro Hokama accepteert, wie moet hem dan komen brengen? God zelf?” Pas toen alle Nederlandse grootmeesters mij begonnen te feliciteren dacht ik bij mezelf: “Het zal wel goed zijn”. Echter heb ik door de jaren heen de Sem Schilts van deze maatschappij als extreem zeldzame mensen leren herkennen. Daarentegen zijn de personen die geheel ten onterechte meesters worden genoemd vaak in grotere getallen te vinden, zelfs onder beruchte criminelen.

Onlangs ontving ik vanuit de Okinawa Kenshikai, waarvan ik in Nederland de vertegenwoordiger ben, twee Shihan-certificaten die ik van Hanshi Tetsuhiro Hokama aan twee van mijn assistenten mocht overhandigen. Enerzijds was ik blij maar anderzijds ook sceptisch. Ik weet dat Hanshi Hokama een groot vertrouwen in mij heeft en dat doet mij goed. Echter ligt Okinawa niet om de hoek en dus had hij geen enkel inzicht in hoe mijn assistenten zich ontwikkeld hebben. Het toegezonden certificaat uitreiken was dan ook niet echt een vanzelfsprekend iets voor mij. Een meestertitel mag immers geen cadeautje worden. Hoewel ik deze certificaten wel heb uitgereikt aan de betreffende assistenten, ben ik van mening dat ik te allen tijde het voorrecht behoud om dergelijke uitreikingen te weigeren. Ik ben tenslotte de enige die dit van dichtbij mag en zal beoordelen. Zo’n certificaat, hoe goed de bedoeling van Hanshi dan ook mag zijn, zou alsnog in een later stadium al dan wel of niet kunnen worden uitgereikt.

Een typisch kenmerk van een echte meester

Een typisch kenmerk waaraan men een echte meester kan herkennen is zijn onvervalste, oprechte bescheidenheid en nederigheid. Een man waarbij alle vormen van onzekerheid en ego-vergrotende factoren zowel zichtbaar, auditief waarneembaar als voelbaar absent zijn.

Nuryuki Pat Morita
als Mr. Miyagi

Ik noem dit weleens de Mr. Miyagi-mentaliteit. Dit is niet zozeer mijn persoonlijke mening die ik hier ventileer, maar meer een doorgewinterde ervaringsleer die zich keer op keer in mijn leven herhaalde. In het Indonesische Padepokan-complex in Jakarta, het hoofdkwartier van de internationale pencak silat wereld, treft men niet voor niets een grote bronzen sculptuur aan van een hangende rijstplant. Deze verwijst naar de “Ilmu Padi” filosofie dat in Indonesië bijzonder wordt gewaardeerd aan een persoon. De Ilmu Padi filosofie luidt: Volle rijstplanten laten vanzelf hun hoofd hangen daar waar lege rijstplanten rechtop blijven staan”.  Ik gaf al het voorbeeld van een Sem Schilt, maar er zijn er talloze. Een Moul Mornie die met iedereen op de foto wil nog voordat de deelnemers van zijn internationale seminars de kans krijgen om met hem op de foto te gaan. Een Vladimir Vasiliev die weigert om foto’s van hemzelf te signeren voor mensen die deze in hun sportaccommodaties willen hangen. Hij beschouwd dit namelijk als een symbool van trots en verhevenheid. Een 76 jarige Guru Dan Inosanto die – als topleerling en wereldvertegenwoordiger van Bruce Lee’s Jeet Kune Do – bij Martin Wheeler systema is gaan trainen. In mijn sportschool traint ook een 72 jarige kempomeester, Cor van den Broek, systema bij mij in de les. Een Patrick McCarthy die alleen maar vol lof over al zijn collega’s (die veel minder aanzien genieten) spreekt terwijl hijzelf tot de allergrootste karateka op aarde behoort. Een Hans Hesselmann die ondanks zijn grootse pionierswerken en internationale bekendheid liever de spotlights vermijd dan opzoekt. Mensen met wie je uren kunt trainen en praten zonder ook maar één greintje van onnozel haantjesgedrag of arrogantie te bespeuren. Die afwezigheid van ego demonstreert immers de absolute aanwezigheid van hun zelfverzekerdheid. En dat is exact het heilige ingrediënt wat je van meesters en grootmeesters toch wel mag verwachten. Slechts onzekere mensen willen zichzelf voortdurend voor de buitenwereld bewijzen, compleet voorbijgaand aan hun eigen binnenwereld.

“Er is slechts één plaats waar je nog niet hebt gekeken Leroy en het is daar, alleen daar, waar je de meester zult vinden”.

– Thomas Ikeda in ‘The Last Dragon’ (1985) –

Zelfverzekerde mensen voelen geen drang meer om zichzelf tegenover anderen te bewijzen. Een oorlogsveteraan hoeft niet bij iedere gelegenheid te vertellen hoe gevaarlijk hij wel niet kan zijn. Dat weet hijzelf immers maar al te goed zonder zich illusies te hoeven maken. Maar omdat hij herhaaldelijk beiden zijdes van de medaille heeft mogen zien is er bij hem geen behoefte tot onnozele grootdoenerij. Integendeel. Hun houding vormt de categorie bewust-bekwame meesters. En voor die bewustwording hoef je als mens echt niet eerst in de strijd te hebben gevochten…!

“Wat is dapperheid? Niets meer dan een lichaam
dat zich bewust is van zijn kracht.
Wat is lafheid? Niets meer dan een lichaam

dat zich bewust is van zijn zwakte.
Dapperheid en lafheid lopen in iedere man hand in hand”.


– Keye Luke in ‘Kung Fu’ (1974) –

Over bewust-bekwame en onbewust onbekwame meesters

Op seminars en gezamenlijke trainingen zie je de kracht en dwaasheid, de zelfverzekerdheid en zelfonzekerheid, bij de bewust-bekwame en de onbewust-onbekwame meesters ten volste naar voren komen. Tijdens partnertrainingen zie je dat de meest onzekere onder hen zich voortdurend en doelbewust verzetten tegen de actie of reactie van hun trainingspartner. Iedere zogenaamde klap of trap wordt symbolisch geweerd en er wordt bewust met spierkracht tegengewerkt. De bewuste rol van tori (gever) en uke (ontvanger) wordt doelbewust gesaboteerd omwille van het eigen ego dat heimelijk in angst schreeuwt om maar niet ‘als mindere’ uit de oefening tevoorschijn te komen (klik hier voor een voorbeeld). Alsof het een sparringsgevecht betreft, dwingt de onbewust-onbekwame meester er zich steeds toe om als tori op te treden, zelfs vanuit zijn rol als uke! Willen geven zonder te willen nemen geeft aan dat er geen balans is in de onbewust-onbekwame meester, geen yin en yang. Het getuigt zelfs van een absoluut kinderachtige inslag. Want wat heeft het voor zin om je te verzetten terwijl je weet wat er gaat komen? Is het niet zo dat het in de realiteit juist het aspect van het onverwachte zo’n grote rol speelt? Het is als een valse soort van vaardigheidsimago over jezelf afroepen. En voor wie het nog steeds niet begrijpt: Zouden de inwoners van Hiroshima en Nagasaki zich niet heel snel uit de voeten hebben gemaakt wanneer zij wisten wat er die bewuste nacht op hen neer zou komen? Zou een Anne Faber ook maar één seconde geaarzeld hebben om die bewuste route te nemen, wetende wat er zich zou gaan voltrekken? Als uke een te verwachte tegenaanval blokkeren is minstens zo naïef!

Vladimir Vasiliev, mijn systemameester,
vocht als spetsnaz in diverse conflictsituaties.

Weer anderen zetten als tori hun greep zo hard in dat de uke zich onmogelijk kan bevrijden zonder de tori daadwerkelijk te beschadigen. En aangezien de tori stiekem maar al te goed weet dat de uke dit niet zal doen – het is immers recreatieve sportbeoefening en geen real life emergency case – geeft het de arrogante en dus onzekere tori wederom een vals gevoel van kracht, overwinning en vaardigheid. Dit valse en zelf gecreëerde gevoel van veiligheid zal op straat al snel verdwijnen wanneer een echte uke onmiddellijk de tori zijn ogen uitsteekt of zijn strothoofd kapot slaat.

Sommige van deze bewust verzetplegende personen geven als reden op dat het realistischer is om zo te trainen maar dit is een absolute fabel. Buiten de reden die ik hierboven al aangaf is er nog een tweede reden. Men leert zo helemaal niets! Wanneer men bij iedere rijles met 120 km per uur probeert weg te rijden is men na 100 auto’s in de prak rijden nog steeds niets opgeschoten. Er is helemaal niets geleerd!

“Eerst leren staan, dan leren vliegen Daniël-san.
Wet van de natuur, niet van mij”.


– Noryuki Pat Morita als Mr. Miyagi in The Karate Kid (1984)

Dergelijk onbewust-onbekwame meesters herken je ook regelmatig op verbale wijze. Bijvoorbeeld  wanneer zij voortdurend een weerwoord moeten hebben bij alles wat er tijdens een oefening wordt gezegd of uitgelegd, zelfs wanneer zij zelf veel lager op de hiërarchische ranglijst staan dan de lesgevende. Een handicap waarmee zij hun eigen leerproces voortdurend verstoren. Of zoals een oude zen-anekdote gaat: “Je zult eerst je kopje leeg moeten maken wanneer je wenst dat het gevuld wordt”. Ook zullen zij bij veel tegenacties van hun uke standaard uitspraken doen als: “Die zag ik aankomen”.

Bij het meesterschap krijgt men helaas geen Superman T-shirt cadeau. Vele meesters in de geschiedenis toonden aan dat ook zij slechts mensen waren met een eeuwigdurende strijd met hun eigen zwaktes en krachten. En dat mag ook want dat was hun eigen strijd. We prijzen deze mannen dan ook meer om wat zij de martial arts wereld hebben nagelaten, dan dat we hen beoordelen op het soms herhaaldelijk verliezen van hun interne veldslagen. Echter wanneer deze interne veldslagen op latere leeftijd nog steeds externe veldslagen vormen omwille van het ego, en men hier in volhard, dan wordt het natuurlijk een heel ander verhaal. We spreken dan van een incompetente en onwaardige, ofwel bewust-onbekwame “meester” of “grootmeester”.

Een meester of grootmeester wordt immers gezien als iemand waar je bij terecht kunt voor goede raad, advies of om richting te vragen voor het pad waarop je bent vastgelopen. Een man die je graag verteld over hoe je je leven en dus ook je mentale, fysieke en zelfs spirituele gesteldheid maximaal vorm kunt geven in combinatie met de heilzame zijden van martial arts. Iemand die met zoveel liefde en plezier de martial arts historie met je deelt alsof je nooit uitgepraat lijkt en waarbij de tijd vliegt alsof uren minuten leken. Een man van compassie en medeleven. Een meester die graag in de spotlights staat straalt daarentegen zelf geen (wit) licht uit. Een bewust-bekwame meester tracht juist zijn leerlingen te belichten en terwijl hij zijn licht op zijn pupillen schijnt, plaatst hij zichzelf automatisch belangeloos in de schaduw (zwart). Maar helaas maakt een meester (zwarte band) met een onbewuste geest (witte band) nog geen meester. Zelfs niet als er veertig jaren aan wachttijd zijn verstreken.

Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik ooit een gesprek voerde met een man die een zwarte band in wado-ryu karate droeg. Ik vertelde hem dat ik nog getraind had met de kleinzoon van Hironori Otsuka. De man zei verbaasd: “Wie? Nooit van gehoord”, waarop ik hem nog verbaasder aankeek en dacht; dit is hetzelfde als wanneer iemand beweerd een devoot Christen te zijn maar bij het horen van de naam Jezus Christus vraagt: “Wie, nooit van gehoord?” Voor dergelijke bomen zonder wortels die zich meester noemen heb ik weinig hoop op de toekomst. Gelukkig zijn er ook nog voldoende meesters die hun naam wel eer aan doen.

Met deze zin sluit ik af:
Het meesterschap is wel degelijk een stadium dat men kan bereiken. Echter dient een ieder er zich van bewust te zijn dat het tegelijkertijd een levenslang proces is van werk-in-uitvoering.

Met vriendelijke groet,

Patrick Baas
Kyoshi, 7e dan


Share Button